
Het aftellen naar de lancering van een nieuw jaar gaat in mijn huidige noordelijke domicilie traditiegetrouw met carbidschieten. En we weten het: tradities zijn onaantastbaar. Ook aan hartverlamming gestorven huisdieren, geruïneerde mensenogen of afgerukte kindervingers veranderen daar niets aan. Toch is dat niet helemaal waar. Tradities evolueren: knalvuurwerk met extreme explosieve kracht, eerst nog ongekend, heeft zich met succes ingedrongen. En zo is 'in de provincie' ook het aloude carbidschieten met afgedankte melkbussen verdrongen door speciale installaties – enorme stalen buizen tot complete Stalin-orgels, zoals te zien op de pickuptrucks die door de ruïnes van dorpen in Irak en Syrië rijden. Het dreunen dat de testosteronbommen ermee voortbrengen doet ramen in hun sponningen rammelen, dakspanten kraken. In de winterse dorpsstilte zijn de oren gevoelig, telkens als weer zo'n bominslag klinkt spring ik geschrokken op uit mijn stoel.
Het mag tegenstrijdig klinken, maar die oorlogstoestand deed me in de loop van de oudejaarsdag besluiten de rest van de jaarwisseling in Amsterdam door te brengen. In de stad passen je oren zich aan op achtergrondrumoer dat altijd aanwezig is, het contrast met een onverwacht kanonschot is er minder. Het Lichtfestival loopt ook nog, bovendien zou Amsterdam nog meer werk maken van het officiele aftellen en volop siervuurwerk afsteken, omdat zij per 1 januari een poosje hoofdstad van Europa wordt. Tegenover de angstige afgelastingen in Parijs en Brussel zou Amsterdam zich eens een onverschrokken metropool tonen! De gemeentesite meldde als de beste plekken: Magere Brug, Nieuwmarkt en het Oosterdok tegenover het Scheepvaartmuseum.
Mijn trein naderde het CS al voor negen uur, maar het leek wel of de jaarwisseling in Amsterdam al achter de rug was – vuurpijlen spatten open boven centrum en IJ, begeleid door onophoudelijk ploffen en knetteren. Op het Stationsplein was het druk, was hier ergens gevaar, zo vroeg ik me toch onwillekeurig af – op de Magere Brug misschien, is die bestand tegen het gewicht van duizenden toeschouwers? Van de zomer riep het Prinsengrachtconcert al wat claustrofobisch gevoel bij me op. Dan maar eens kijken op het Oosterdok, tegenover het museum en de VOC replica viel het meeste spektakel te verwachten. Bij het Sea Palace stonden een paar dronken Engelsen, gulp open, het dokwater bij te vullen – leuk uitzicht voor de restaurantgasten. Ik liet me meevoeren in de menigte de Van der Veldebrug over naar NEMO, daar waren al heel wat groepen jongeren neergestreken, al was het nog niet eens tien uur.
De kade van de museumschepen op, aan weerskanten afgesperd door 'Geldermalsenhekken' – net een lange kippenren. ''Hier moet ik niet zijn'', wist ik meteen, ''als een of andere gek hier paniek wil schoppen kun je geen kant op, je krijgt de hekken over je heen of valt ermee in het water''.
Ik besloot door te lopen naar de Prins Hendrikkade – bij Arcam stonden al hengelcamera's van IDTV te proefdraaien, met rugdekking van politie. Het Scheepvaartmuseum was mooi blauw, de VOC 'Amsterdam' prachtig rood uitgelicht. En witte bollen dreven in het water: rood-wit-blauw. Een goed plan leek me de Schippersgrachtbrug over te gaan naar Kattenburg, maar ik liep in een fuik. ''Waar wilt u naartoe meneer?'', opeens een achterdochtige stem. ''Naar Kattenburg, gewoon de brug over'', zei ik de politievrouw. ''U moet terug, eerst naar rechts en dan omlopen''. ''Stel je een noodsituatie voor'', dacht ik maar zweeg wijselijk. Ik wist meteen waar ik heen moest: de Dijksgracht, voorbij het Marineterrein, uitzicht op het Oosterdok, niet bekend bij de massa. In de Commandantswoning op het Marineterrein is een fototentoonstelling van Johan van der Keuken, Cor Jaring, Esther Kroon en Aysel Bodur. Op oudjaarsavond gesloten natuurlijk, maar de poort stond open, ik gluurde even om de hoek.
''Wat zoekt u meneer?'', twee mannen met 'security' op hun hesjes stelden zich op in de doorgang.
''Alleen maar nieuwsgierig heren, vijftig jaar geleden werkte ik hier een poos, nog vóór de IJtunnel''. Ze reageerden heel wat vriendelijker, veel vuurwerk werd van hieruit afgestoken dus niemand mocht het terrein op. ''Goeie wacht en een goed jaar!'' Buiten een ontdekking: expositie in de openlucht over de volle lengte van alle muren! Mijn aanbeveling: kijken, de wandeling waard!*
Voor de spooronderdoorgang linksaf de Dijksgracht op. Daar bleek 't inderdaad heel rustig, alleen op de kade achter Mediamatic en Hannekes Boom enkele honderden mensen aan de oever – de Van der Veldebrug en de Oosterdokskade oogden intussen stampvol. Wij hadden allemaal heel goed zicht op het Scheepvaartmuseum, de 'Amsterdam', NEMO en de museumkade.
Twee stelletjes zaten knus tegen elkaar geleund op de wallekant, de ruimte tussen hen in te klein voor nog twee, maar royaal voor één. Ik streek neer, ieders voeten vonden steun op een vlonder, prima zo! Maar er was geen steun, de vlonder was een vlot! Langzaam voelde ik het wijken.
''Pas op anders wordt het zwemmen'', zei ik het meisje links naast me.
''Sorry I do not speak Dutch'', reageerde ze en trok de voeten naar zich toe.
''I beg your pardon, are you British?'' vroeg ik.
''No, we're from Germany''.
''Aber dann spricht man doch Deutsch?''
''Ach ja, aber wir sind doch in Amsterdam – Ich meine: es sei unhöflich sofort jemandem in Deutsch anzureden''.
Hoe hoffelijk, bromde ik zachtjes in mezelf, met twee opengeritste Britse gulpen nog op mijn netvlies. De jongen naast haar sloeg zijn arm nog wat steviger om haar schouders, als om zijn keus te onderstrepen. Hij mocht gerust zijn, er spoot een felle vlam uit de kanonpoorten van het VOC schip – het aftellen was begonnen en maakte elk verder gesprek onmogelijk.
Ik leerde vroeger dat de Brit zo beschaafd was dat-ie overal geduldig in de rij aansloot, zelfs bij het instappen op de metro. Wat waren wij dan een grof egoïstisch volkje. Duitsers daarentegen liepen altijd luid te schreeuwen, hadden niets geleerd. Waar zijn die keurige Britten gebleven, of zijn ze zo veranderd? En die Duitse ''schnautzen'' zijn die nu allemaal dood?